Naar wat ben je naar op zoek?

Cognitieve gedragstherapie

De cognitieve gedragstherapie is ontstaan vanuit het behaviorisme.

Het betreft de dimensies cognitief, gedrag én cognitief-gedrag.

Vaak zijn de behandelingen geprotocolleerd. Dit betekent dat het begeleidingsproces is voorgeschreven in een protocol. Dit protocol is ontstaan vanuit de evaluatie wat het meest optimale effect heeft.

In tegenstelling tot vele andere vormen van begeleiding is gedragstherapie niet geïnteresseerd in de oorzaak en/of de geschiedenis van de persoon.
Elke vorm van gedrag wordt herleid tot een reactie op prikkels uit de omgeving. Men veronderstelt dat elk gedrag een functie heeft voor de mens. In de begeleiding gaan we op zoek naar de functie van het gestelde gedrag waarna we andere gedragswijzen introduceren en inoefenen om een nieuw resultaat te bereiken.

Gedragscomponenten

Begrippen zoals klassieke en operante conditionering behoren in deze begeleiding. Conditionering is een verband leggen tussen een stimulus en een respons. Deze kunnen zowel negatief zijn als positief. Gedrag is dus een onontkoombare respons of reactie op een waarneembare prikkel. De functie van het gedrag is deze prikkel op te roepen of juist eraan te ontkomen.

Eveneens de leerpsychologie komt hier aan bod. Op welke wijze leren mensen? Eén hiervan is het ‘modelleren’. Mensen leren door het observeren van het gedrag van anderen. Imitatie speelt een belangrijke rol. Welke functie hebben de aangeleerde gedragingen? Hebben ze nog nut of worden ze beter vervangen door nieuwe, meer functionele gedragingen.

In de begeleiding gaan we de problemen nauwkeurig in kaart brengen. Wat doe je in welke situatie? We willen hiermee in kaart brengen welke triggers in welke situaties het probleemgedrag veroorzaakt.

In een functieanalyse bekijken we of er mogelijke relaties zijn tussen de verschillende symptomen zijn (vb. relatieproblemen en alcoholmisbruik)

Vervolgens bepalen we samen nieuw gedrag waardoor het resultaat positief voor jou wordt beïnvloed. Dit kan zijn dat bepaald gedrag wordt afgeleerd en ander gedrag wordt aangeleerd. Straf en beloning spelen hierin een belangrijke rol.

Een specifieke vorm is habituatie aan in de omgeving aanwezig zijnde prikkels. Praktisch betekent dit ‘systematische desensitisatie’ waarbij men stapsgewijs leert omgaan met moeilijkere situaties (vb. angst). Opkomende spanning wordt controleerbaar gemaakt met relaxerende technieken. Op deze wijze wordt de angstreactie geleidelijk uitgedoofd.

Resultaten worden opgevolgd en vaak visueel voorgesteld. Aan de hand van deze resultaten wordt de begeleiding bijgestuurd. Op het einde wordt er een ‘voor’ en ‘na’ resultaat opgemaakt. Dit is de evaluatie van de gedragstherapie.

In de cognitieve dimensie stellen we dat sommige denkpatronen leiden tot psychische problemen. Deze denkpatronen ontstaan vanuit onze (vroegkinderlijke) ervaringen die verinnerlijkt worden. We noemen dit de innerlijke scripts. Het is een beoordeling van een bepaalde context waarbij een voorschrift hoort van hoe we ons moeten voelen en gedragen.
Door het veranderen van deze niet-functionele denkpatronen en innerlijke scripts in functionele, pakken we de problemen aan.

Irrationele gedachten worden omgezet tot houdbare en bruikbare opvattingen. Hier kan men mee aan de slag en is dus in de kern cognitieve therapie.

Het is dus niet zozeer de feiten die bepalen hoe wij ons gedragen, denken en voelen. Wel onze percepties en opvattingen over de situatie of het gebeuren bepalen ons functioneren. Een voorbeeld is hoe we omgaan en beleven met het glas half vol of halfleeg!

Ook hoe we onszelf zien bepaald hoe we reageren op situaties. Cognitieve schema’s zijn de fundamentele overtuigingen of kerngedachten van mensen betreffende zichzelf, anderen en de omgeving.

Gebruikte technieken zijn ondermeer:

  • Rollenspel waarbij nieuwe denkpatronen worden aangeleerd. Door moeilijke situaties te spelen worden foutieve denkpatronen opgespoord en gecorrigeerd. Een rolomkering tussen therapeut en klant brengt het inzicht om foutieve denkpatronen om te buigen tot houdbare en bruikbare denkpatronen.
  • De klant maakt in gedachten voorspellingen hoe een toekomstige situatie zal verlopen. Vervolgens wordt het door de klant in de praktijksituatie getoetst. Aangezien het gedachtenexperiment op niet houdbare denkpatronen steunt zullen deze in de praktijk dus niet uitkomen. De houdbaarheid wordt hierdoor ondermijnt en de foutieve denkpatronen worden door vernieuwde bruikbare en houdbare denkpatronen vervangen.

De integratie van de cognitieve én de gedragsdimensie is effectiever in resultaat dan de twee apart.